Kerstverhaal

Bij een schrijfcursus krijg je soms oefeningen om een bekend verhaal vanuit een ander perspectief te schrijven. Zo is het volgende kerstverhaal ontstaan.
Veel leesplezier.

Het gaat niet zoals we hadden voorzien, het loopt helemaal niet goed. De baas loopt te ijsberen. Wolken stuiven alle kanten op. ‘Mijn zoon, mijn zoon, straks in de sneeuw, onbeschermd.’ Hij schopt tegen de sneeuwwolken die gewoon verderop weer samenklonteren.  De planning, onze zorgvuldige planning, zo zorgvuldig uitgedacht, en toch loopt het mis.
Gabriel was in maart naar beneden gezonden. In december zou de geboorte zijn. Net na de kortste dag. Dan beginnen de mensen er weer in te geloven, in het leven. Bovendien heeft zo’n timmerman in de winter minder werk, dat geeft moeder en kind een fijnere start. En nu, nu…
Nu zijn ze in Bethlehem, Maria hoogzwanger op een ezel, in de sneeuw notabene. Omdat die k… Augustus zo nodig wil weten hoeveel mensen er in zijn land wonen, in verband met de administratie. Het is toch niet te geloven. Overal zijn mensen in de kou op de drift. Weg van huis en haard. Verloren in een onbekende omgeving op weg naar hun familiegrond.

Wij kunnen niets doen, niets. Overal zijn mensen en wij mogen alleen verschijnen aan de ingewijden. Ik moet straks naar de herders maar verder mag ik me er niet mee bemoeien. Piet zal de ster ophangen voor de wijzen die naar de hemel kijken.
Zo te zien zal het niet lang meer duren voordat de geboorte plaats zal vinden. Karel heeft een os nog een klap met zijn vleugel gegeven zodat die nu op weg is naar zijn stal. Dan warmt het daar een beetje op. Daar zullen ze waarschijnlijk eindigen vandaag. Alle herbergen zitten vol. Karel heeft ook wat extra stro laten dwarrelen in de stal, voor het comfort, volgens mij weet de baas het wel maar knijpt hij vandaag een oogje dicht.

Ik zie ze nu, ze zijn op weg naar de herberg. Naar de herbergier die al veel mensen heeft weggestuurd. Geen plek voor armoedzaaiers. Ik probeer altijd het goede in de mens te zien, erin te geloven. Dus misschien omdat ze zwanger is… Maar nee, hij verwijst ze naar de stal. Precies zoals Karel al dacht. Maria zakt ineen. De os en de ezel kruipen meteen tegen elkaar aan, Jozef en Maria er dichtbij. Zo is er enige beschutting. Maria klapt dubbel, ze schreeuwt, het is echt begonnen. Jozef kijkt haar hulpeloos aan en vermant zich meteen daarna. Hij neemt haar in zijn armen, kust haar en veegt het zweet van haar voorhoofd.  Het gaat ze wel lukken, die twee samen.
De baas is door het dolle heen: ‘een zoon, ik krijg een zoon.’ Even wil ik hem herinneren aan wat er met deze zoon allemaal gaat gebeuren de komende 33 jaar, maar ik laat hem maar even. Zoals iedere jonge vader is hij nauwelijks aanspreekbaar.

Inmiddels ligt Jezus, gewikkeld in doeken in de kribbe en is Maria weer enigszins toonbaar.
Ik mag nu.
Ik suis met flapperende veren naar beneden. Ik moet eerlijk zeggen: het is heerlijk: vliegen, echt het fijnste wat er is, ik doe alsof ik de herders moet zoeken en vlieg een extra rondje voordat ik land. En ik land in een wolk van licht natuurlijk. Ik haal diep adem en verkondig luid:

‘Ontwaakt! Ontwaakt! Uw heiland is geboren!’

Piet heeft de stal nu overvloedig in het licht gezet en de boodschap komt goed over.
Pfff. Toch nog gelukt.

Marina, kerstmis 2018

Advertenties

Fietsen

De zon schijnt, mijn haar wordt warm en mijn hele  linkerkant. Heerlijk, ik ruik gras. Nick zit achterop in een stoeltje waarvoor hij bijna te groot is, maar het lukt nog. Hij vlijt zich tegen me aan, zijn mollige armpjes om mijn middel, zijn gezicht in mijn T-shirt. Hij blaast en ik krijg een natte warme vlek op mijn rug. Mmm. Onze schaduw glijdt met ons mee, net zoals Mark die nog wat slingerend naast me rijdt. Kijk zeg ik tegen Nick, onze schaduw, hij glijdt zwart over de stoep, over het groene malse gras van het weiland met de Ezel. Ik zwaai met mijn arm en de schaduw zwaait mee. Nick zwaait ook en ook nu zwaait de schaduw.  Mark kijkt naar ons spel en komt snel peddelend naast me rijden hij rijdt over de schaduw, hij lacht. Dan kijkt hij me verschrikt aan : ‘doet dat pijn?’

‘Nee hoor dat doet geen pijn. Je schaduw gaat altijd mee maar hij doet geen pijn.’ We lachen. De zon glimt op mijn stuur, op mijn bel, op het stuur van Mark. Een grasmaaier zoemt, knip knip doet een schaar achter een heg, ik krijg nog een natte plek op mijn rug. Mmm.

Achter ons hoor ik een auto. ‘Mark ga maar even voor me rijden, dan kan die auto er langs.’ Hij slingert voor me uit. Rijdt nu wat langzamer zodat ik zelf moeite moet doen niet te slingeren met mijn gewicht en het gewicht van Nick op de fiets. De auto nadert langzaam, gelukkig maar. Nu is die bijna naast me. Ik probeer het slingeren te beperken en met mijn ogen probeer ik ook de route van Mark recht te trekken.
Niet te veel slingeren. Houd het recht.
Nog even volhouden.
De auto is nu naast me, ik concentreer me op mijn oudste zoon.
Voorzichtig.
Voorzichtig.

Op dat moment toetert de auto. Ik maak een zwieper met mijn stuur. Ik schreeuw: ‘Godverdomme’. Mijn hart zit in mijn keel. De auto haalt Mark in. Mijn collega zwaait naar me terwijl ze me inhaalt. Ik, ik kan haar wel wurgen, maar ze rijdt door.

Mijn hart klopt snel, ik heb kippenvel en de rillingen lopen over mijn rug, Nick blaast op mijn rug maar ik geef hem een por: ‘ophouden nu, ik loop voor gek straks met al die natte plekken’. Het scherpe, irriterende geluid van een grasmaaier, een zurige lucht van verrot gras, zweet stroomt koud tussen mijn borsten door en alles plakt.  Ik had een zonnebril op moeten zetten of een hoed, de zon is veel te fel. We rijden door naar de supermarkt.

Later zegt ze; ‘jullie waren fijn aan het fietsen’.
‘Nou, heel fijn.’

Marina, 2018 .