Blauwe stipjes.

Gemiddeld schijnen mensen in een museum vijf minuten naar een schilderij te kijken, en vijf minuten naar de toelichting. Ik haal dat zelden.
Die toelichting misschien nog wel maar verder … Nou ja, sinds iemand me gewezen heeft op penseelgebruik, en hoe je dat van een afstand ziet, sindsdien kijk wat nauwkeuriger maar toch, vijf minuten.

Ik begrijp het wel. Ik snap het, ik voel het zelfs. Die behoefte om iets te doorgronden, te zien, te verklaren en vooral te begrijpen. Alleen heb ik dat niet bij van Gogh of bij Rembrandt. Ik heb het bij Joan Blaeu en de Grote Bos. Dat wil zeggen, bij kaarten. Landkaarten wel te verstaan.

Ik kijk naar strepen en zie straten en spoorlijnen. Ik kijk naar groene vlakken en hoor de bomen ruisen. Ik geniet van het stratenpatroon. Iemand heeft het misschien ooit verzonnen. Of het is per ongeluk zo gegroeid. Als een levend wezen. Gevormd door burgemeesters, stratenmakers en bouwvakkers.

Op mijn smart Phone loop ik als een blauw stipje door straten, zo zag ik mezelf in gedachten altijd al lopen. Door steden en dorpen, door straten. Niet iedereen voelt dat zo. Laatst vroeg ik een vriendin of een straat evenwijdig liep aan het spoor. ‘Nee’ zei ze, ‘of nou ja. Je ziet het spoor in ieder geval niet.’

Op de rommelmarkt kocht ik een kaart van Joan Blaeu. Een kaart van Arnhem uit 1649. Hij blijkt met de hand ingekleurd, je kunt de potloodstreepjes zien. Iemand heeft al die daken voorzien van rode dakpannen. De weilanden zijn lichtgroen met plantjes er in getekend, de bomen donker. Er loopt een, al lang afgebroken muur rondom de stad en over het blauw ingevulde water ligt een soort pontonbrug van allemaal kleine bootjes. Zo een hebben ze nu nog in Curaçao.

Ik denk niet dat ik ooit wakker zal liggen van penseelstreken of van Rembrant. Maar van die blauwe kleurpotloodjes, vastgehouden door vijftiende-eeuwse vingers, daarvan dan weer wel.

Marina.

map_image

Advertenties

Oranje

We zijn voor het eerst niet geweest. Geen jaarlijkse wandeling over de kleedjesmark, geen aubade met heliumballonnen.
Het begon ooit met versierde fietsen. Met oranje crêpepapier tussen spaken geslingerd en sturen omwikkeld met meters rode, witte en blauwe linten. We moesten in die verpakking nog een pokkeneind fietsen langs een vieze sloot, waar mijn broer natuurlijk met crêpepapier en communiepak in kieperde.
Later volgde de zeskamp van de scouting en als finale terrassen en feesttenten overgoten met bitter en bier.

Sinds we kinderen hebben gingen we naar de kleedjesmarkt. Om te kopen waar een ander uitgroeide en wij in. Autootjes, zwembanden en puzzels vonden hun weg naar onze huiskamer. En ook weer terug naar de kleedjesmarkt. Ik stuurde twee jaar geleden onze oudste nog met wat oude rotzooi naar het gebeuren maar hij was al snel weer terug. Daar ging hij echt niet meer tussen zitten. Zo erg was dat geldgebrek niet. Ik sleurde die doos maar weer naar zolder.

We zijn een krimpend huishouden. Een zoon op kamers, de andere half. Mijn karretje bij de supermarkt wordt ieder jaar leger. Bij de wekelijkse gang naar de friettent bestel ik steeds vaker twee patat in plaats van een gezinszak en een hamburger, beren hap met satésaus, kinderpakket en extra mayo.
Bovendien gaan we binnenkort verbouwen en moet de schuur leeg. Een bijna ondoenlijke opgave. Ik gooi niet snel iets weg. Mijn man is een verzamelaar. Crisis dus. Want ieder onooglijk plankje, schroefje en ringetje moet beoordeeld worden op weggooibaarheid. We hebben al zeker twee vierkante meter overwonnen, nog 98 te gaan.

Vandaar dat we niet gaan dit jaar. Misschien nog even een borrel op het terras? We wonen er nu immers midden tussenin.
Aan de ene kant wordt De Clown van Ben Kramer mishandeld. Aan de andere kant klinkt het naar vioolles van een hele erge beginner. We zitten hier eigenlijk ook wel lekker in de zon.

Misschien worden we gewoon saai en oud.

Marina