Selamat Malan

Het kopen van een treinkaartje leek op een lijf aan lijf gevecht in een overbevolkte boksring. Het hielp al niet mee dat het loket ongeveer op buikhoogte zat. En bukken was lastig met al die lenige bruine lijven om je heen gestuwd. Ik hield mijn hoofd en bovenlijf scheef en zakte door mijn knieën om twee kaartjes voor de vroege trein naar Yogyakarta te kopen. Mijn billen drukten tegen een gezette dame aan mijn linkerkant. Tegelijkertijd flitsten er handen met smoezelige biljetten langs mij heen begeleid door schelle stemmen, waarna ze terugkwamen met iets dat leek op treinkaartje. Stamelend en hakkelend riep ik de, in het Indonesisch – Nederlands woordenboek opgezochte woordjes tegen de lokettiste die mij met weerzin aankeek. Ik had het op een papiertje geschreven, twee personen, 8.00 uur, Yogyakarta en enkel. Ik duwde het inmiddels plakkerige briefje, samen met het geld onder haar neus. Ze krabbelde een paar dingen op een dun formulier met voorgedrukte blauwe letters, niette er een kartonnetje aan vast en stopte het mij in de hand met het woord empat. Vier uur dus. Ik vroeg mij af of ik zou protesteren over de vertrektijd. We waren immers vroeg opgestaan om de trein van acht uur te halen en met de trein van vier uur zouden we pas midden in de nacht in Yogyakarta aankomen. Maar de mensen achter mij, die in de gaten hadden dat ik een kaartje bezat, begonnen mij eensgezind van het loket vandaan te duwen en woorden – plaatsnamen? te roepen naar de lokettiste die met herwonnen autoriteit kaartjes zat uit te delen.
De trein van vier uur dus.

Om twee uur kwamen we aan op het tropisch donkere station van Yogyakarta, de kleine peertjes in de nok veranderden daar niet veel aan. Bij de uitgang was een vierkante loge met sierlijk open hekwerk, het had iets weg van een geometrisch doolhof. Er zat een oudere heer in het hokje die op vrijwel alle horizontale stukjes van het hekwerk waxinelichtjes had gezet en een VVV kantoortje voerde. Hij riep “hotels, Yogyakarta?” waarbij de laatste lettergreep in toon omhoog rees om duidelijk te maken dat het een vraag was. Telkens wanneer er toeristen langsliepen sprak hij ze aan en vroeg dringend en nederig tegelijk, een vaardigheid die Indonesische ouderen tot een kunst verheven lijken te hebben, of hij hen kon helpen.
We lieten ons graag helpen na de lange vermoeiende reis en hij gaf ons een routebeschrijving, met potlood in schoonschrift op een blaadje uit een agenda van vorig jaar. Hotel Petit Mas. Het lag in de hoofdstraat en het was een kilometer lopen. Hij schoof zijn bril voor de tiende keer omhoog over zijn neus en keek triomfantelijk toen hij het papiertje aan ons overhandigde met een duidelijk “alstublieft, veel plezier en goedenacht, selamat malam”.

Terwijl we naar het hotel liepen zagen we in de schemering tientallen riksja’s staan met slapende chauffeurs en of eigenaren erin. Ze leken niet echt op werk te wachten. Eentje worstelde zich halfslachtig omhoog, hij riep wat, maar na een armgebaar van mij zakte hij weer terug in zijn bakje. We wandelden ongestoord langs hen heen de hoofdstraat in. De winkeltjes en restaurantjes waren afgesloten en donker, stoffig grenzend aan de stoep, de stad was stil, de warmte vulde alle hoeken en kieren. Bij het hotel werd de eigenaar gewekt, hij kwam blank, slank en gedistingeerd in een ochtendjas met geborduurde draak naar de receptie en schreef ons in. Een halve nacht voor halve prijs. Uitgeput kropen we, na een snelle douche in een fris opgemaakt bed met het voornemen zolang mogelijk te slapen.

Voordat ik in de gaten had wat er aan de hand was zat ik met kloppend hart rechtop in mijn bed. Het lawaai was oorverdovend en voor een moment dacht ik aan een aardbeving of was er een dief in onze kamer, liep de wekker soms af? Het zweet stroomde van me af, mijn benen trilden en in het stikdonker was ik ervan overtuigd dat ik bedolven zou worden onder tonnen steen en lava of doodgestoken door rovers. Mijn vingers zochten het lichtknopje en bevend knipte ik het bedlampje aan. Met het licht in de kamer kwam er begrip, ik herkende het, het ochtendgebed, overgenomen door minstens tien verre stemmen verderop in de stad. Met kloppend hart liet ik mij in de kussens terugzakken, Ik hield mijn ogen dicht, langzaam nam het trillen af. Niets aan te doen, gewoon wachten totdat het over gaat. De lange halen van de stem, met de voor onze oren zo ongewone melodieuze overgangen drongen indringend de kamer, mijn oren en mijn hoofd binnen. Ik hield mijn ogen stijf dicht, mijn man zuchtte naast me en draaide zich om. Ik had het al vaker uit de verte gehoord maar dit keer leek het alsof de luidspreker pal voor het raam van onze hotelkamer hing. Dat was ook zo zag ik later die ochtend. Het hotel lag naast de moskee. De lamp resoneerde zachtjes mee, het water in het waterglas rimpelde tegen de rand. Mijn man draaide zich om.

Lang nadat alle stemmen in de stad waren verstild schakelde ook onze imam de luidspreker uit. Wij waren klaarwakker en wachtten totdat het eerste ontbijt geserveerd zou worden, om zeven uur

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s