Kamperen, beter van niet.

Er zijn mensen die gewoon niet moeten kamperen, alle campings mijden, hun leven lang, nooit een tent opzetten, caravan huren, camper lenen. Niet, nooit, never.

En nee dan bedoel ik niet die uitgebreide Italiaanse familie die hun enorme partytent met dito geluidsinstallatie pal achter onze vouwwagen, op de vrijwel lege camping, opzetten en tot diep in de nacht Italiaanse schlagers lieten horen en heftige Italiaanse discussies.

En nee ik bedoel ook niet die Franse buurman die iedere dag keurig de hond buiten de omheining van de camping uitliet nadat hij zelf uitgebreid tegen een boom had staan wateren, samen met zijn tienjarige zoon.

Ik bedoel wel de vader van het meisje in het toilet naast me.
Ik zat even uitgebreid en hoorde de deur naast me klepperen zoals alleen wc deuren op campings dat kunnen. Daarna een keurige ABN vader die zei:
‘Nee lieverd even niets aanraken hier, doe je armpjes maar even over elkaar, zo ja, dan pakt papa even het doekje. (veeg geluiden) Al klaar, ga nu maar zitten.
NEE, niet met je handen de wc aanraken, kom maar ik til je wel even op. Zo, gaat het zo? Niet met je handen op de bril, nee ook niet de muur. Zal papa je handjes even vasthouden, zit je goed zo? gaat het? … Klaar? Kom maar ik til je er wel af, even afvegen, ja papa heeft de billendoekjes ook hier. Zo, gaan we nu weer terug naar de tent, kom maar.’
Die dus.

En eigenlijk nog meer de man die naast me af kwam wassen op de camping, ik stond daar met mijn al wat versleten teiltje onze spullen te soppen en hij kwam naast me staan met zo’n soort opvouwbare boodschappenmand met stevige hengsels vol met afwas. Spaghetti Bolognese hadden ze gegeten zag ik en yoghurt toe.
Na alle vrije aanrechtjes te hebben geïnspecteerd zette hij de mand op het aanrecht en haalde er een fles Cif uit waarna hij het hele aanrecht af begon te soppen. Met een groen schuursponsje schuurde hij het aanrecht, de bak, de kraan en ook de wijde omgeving af met schuurmiddel. Ik begon ondertussen uit pure nieuwsgierigheid opnieuw mijn al schone vaat af te wassen en af te drogen met mijn inmiddels erg natte theedoek.
Na deze actie verscheen een verpakking natte doekjes uit de mand met in grote letters Dettol-ontsmettingsmiddel. Hiermee herhaalde hij de hele exercitie waarna hij een opvouwbaar afwasbakje uit de mand toverde, het ontsmette en aan de afwas begon.

Ik stapelde mijn schone ietwat vochtige serviesgoed in mijn bakje en liep terug naar onze vouwwagen. Ik hing de handdoek te drogen in de zon en borg mijn afwas op. Ik heb het niet op mijn inpaklijstje, Cif en Dettol. En misschien is dat wel het criterium. Wil je Dettol meenemen op vakantie? Ga dan liever niet. Huur een hotelkamer en cif en schuur het bad uit. Weet ik veel. Maar een camping? Ik zou er niet aan beginnen.

Marina mei 2019

Advertenties

Herkend.

 

De vrouw buigt zich over de tafel. Hij ruikt een vleugje parfum maar herkent het niet. Haar colbertje laat in het driehoekje op haar borst een groen shirt zien en de aanzet van haar borsten met wat korte blonde haartjes. Hij ademt diep in, rustig nu, concentreer je. De vrouw legt met haar wit gehandschoende handen een blauwe bal op het laken. Hij weet dat er een stip staat op de plek waar ze hem neerlegt.
Die blauwe bal ging er soepel in, nu wordt het moeilijker. Hij heeft niet veel overgehouden, de blauwe bal is onbereikbaar door enkele rode en de zwarte die er tussenin liggen. Een rode ligt te dichtbij, te kort om een hoek te kunnen maken met het gat aan die kant. Zijn ogen dwalen weer af naar de vrouw.
“Kat” stelde ze zich voor toen hij hier anderhalf uur geleden binnenkwam. “Katinka maar zeg maar Kat” en ze schudde lachend haar haren en haar borsten. Je zag het vaker de laatste tijd maar hij had liever een mannelijke scheidsrechter. Het leidde minder af, die zag je niet eens staan. Dat lukt hem niet met een vrouw.

Hij had geprobeerd het uit te leggen aan Karin, zijn vrouw, maar die had hem alleen maar aangestaard toen hij het had over het parfum dat hij rook, de haartjes op de borsten en het geritsel van de panty’s wanneer ze achter hem doorliep om een stoot beter te kunnen zien. Zijn stoot.
Zijn vrouw zei “Ik dacht altijd dat het wel mee zou vallen, dat jullie drie keer per minuut aan seks denken, dat dat vast overdreven is. Maar ik begin het toch echt te geloven.” Walgelijk, had ze er nog toegevoegd terwijl ze de deur uitliep. Hij was wat verloren in de kamer achtergebleven. Dat wilde ze toch altijd, dat hij zich kwetsbaar opstelde? Nou ja.

Hij gaat zitten in het stoeltje dat voor hem bestemd is en neemt een slok water. Geert loopt naar de andere kant en bukt zich om horizontaal over het blauwe doek te turen. Geert ruikt altijd een beetje naar oud zweet. Zijn overhemden zijn, net als die van hem, hagelwit maar altijd hangt dat luchtje om hem heen. Zelfs anderhalf uur geleden al en langzaam wordt het sterker. Gelukkig hoeven ze maar even tegelijkertijd op de stoeltjes te zitten. Alleen om te wachten tot die soepele vingers een denkbeeldig pluisje van het doek hebben geplukt en het stof van de ballen hebben gestreeld. Soms blaast ze er even overheen, haar glimmend rode lippen tuiten zich tot een kusmond en ze blaast een onhoorbaar pufje over het spiegelende oppervlak.
Ze blijft ook verder van Geert vandaan dan van hem, of verbeeldt hij zich dat? Hij voelt haar altijd dichtbij. Wanneer hij zijn hand stevig op het laken plant, zijn vingers licht gespreid, de keu rustend op zijn wijsvinger. Hij schuift hem voorzichtig heen en weer om de richting te bepalen, de kracht van de stoot, het gevoel van de bal die daar ginds tegen de ander bal en vervolgens tegen de band moet komen om hem de goede richting op te sturen. Wanneer hij het zeker weet en de definitieve stoot wil geven voelt hij haar achter zich, als een beschermengel zweeft ze in de ruimte, haar panty’s ritselen, haar parfum omhult hem als mist op een kille lentemorgen, fris en vol verwachting. Dan stoot hij.
Bij Geert staat ze vaak bijna tegen de reclameborden die hun terrein afbakenen. Ze ruikt hem ook natuurlijk.

Hij sluit zijn auto af en gaat zonder veel animo op weg naar de schuifdeuren. Wagentje pakken en door het draaihekje. Langs de blikgroenten en de appelmoes naar de achterkant van de winkel.
Wanneer hij zijn karretje door het gangpad duwt, op weg naar de vruchtenyoghurt ziet hij haar opeens. Ze staat voorover gebogen over de diepvrieskist die hun gangpad van het volgende scheid.
Hij zou haar overal herkennen, de slanke benen in de beige panty’s haar silhouet van achteren, de bruine krullen die uit haar haarband springen hij meent haar nu al te ruiken terwijl hij pas halverwege de gang is. Hij slentert langs de Brinta en de kokoskoeken en stopt vlak bij haar. Ze pakt pizzadozen op om ze te bekijken en weer terug te leggen. Haar haren hangen om haar gezicht. Weer pakt ze een doos om de tekst te lezen.
Hij is getroffen door het beeld. Zo tegengesteld aan hun andere werkelijkheid waar hij de bukkende partij is. Hij gaat wat dichter bij haar staan. Hij ruikt niets maar hij is ook verkouden aan het worden. Hij ziet de blonde haartjes achter in haar nek, ze vormen een perfect symmetrische dubbele boog die over haar ruggengraat naar beneden verdwijnt. Hij sjort aan de band van zijn broek en slikt. Hij doet nog een stapje, raakt haar nu bijna aan. Ze doet een half stapje opzij en hij hoort haar praten. “Margarita, hawaï, salami…”
Hij fixeert zich op haar rug, haar rechte rug. Met een holte net boven de billen. Zijn handen gaan omhoog en blijven vlak boven die holte zweven, licht trillend probeert hij haar bewust te maken van zijn aanwezigheid. Hij voelt haar warmte tegen zijn benen.
Ze pakt een doos onderuit de vriezer, een hak gaat omhoog voor het evenwicht en schampt zijn broekspijp, het voelt als een storm, een windvlaag die tot diep in zijn onderlijf door dendert. Ze heeft nu twee pizza’s gepakt en komt overeind. Hij beweegt zijn handen mee en zet een stapje terug, zijn rug komt tegen zijn karretje dat naar achteren rolt. Zijn hand raakt haar rug terwijl zij omhoog komt met de pizza’s in haar hand. Ze draait zich om.

Hij staat oog in oog met een wildvreemde vrouw. Ze kijkt hem geschrokken aan, haar handen klemmen zich om de pizza’s, ze brengt ze met een zwaai omhoog en slaat hem midden in het gezicht met de koude harde dozen. Tegelijkertijd begint ze heel hard te gillen. Het klinkt als ‘hèèèèp, hèèèèp’. Wat een vreselijk accent denkt hij nog voordat ze hem midden in zijn oog raakt en een vreselijk geraas achter hem aangeeft dat er iets omvalt. Hij brengt zijn handen beschermend naar zijn gezicht terwijl de vrouw doorgaat met meppen en slaan en roepen. Mensen komen aangehold, blikjes rollen voor zijn voeten en plotseling ruikt hij haar toch.
Oud zweet.

Marina

januari 2019

 

 

 

 

 

 

 

 

Kerstverhaal

Bij een schrijfcursus krijg je soms oefeningen om een bekend verhaal vanuit een ander perspectief te schrijven. Zo is het volgende kerstverhaal ontstaan.
Veel leesplezier.

Het gaat niet zoals we hadden voorzien, het loopt helemaal niet goed. De baas loopt te ijsberen. Wolken stuiven alle kanten op. ‘Mijn zoon, mijn zoon, straks in de sneeuw, onbeschermd.’ Hij schopt tegen de sneeuwwolken die gewoon verderop weer samenklonteren.  De planning, onze zorgvuldige planning, zo zorgvuldig uitgedacht, en toch loopt het mis.
Gabriel was in maart naar beneden gezonden. In december zou de geboorte zijn. Net na de kortste dag. Dan beginnen de mensen er weer in te geloven, in het leven. Bovendien heeft zo’n timmerman in de winter minder werk, dat geeft moeder en kind een fijnere start. En nu, nu…
Nu zijn ze in Bethlehem, Maria hoogzwanger op een ezel, in de sneeuw notabene. Omdat die k… Augustus zo nodig wil weten hoeveel mensen er in zijn land wonen, in verband met de administratie. Het is toch niet te geloven. Overal zijn mensen in de kou op de drift. Weg van huis en haard. Verloren in een onbekende omgeving op weg naar hun familiegrond.

Wij kunnen niets doen, niets. Overal zijn mensen en wij mogen alleen verschijnen aan de ingewijden. Ik moet straks naar de herders maar verder mag ik me er niet mee bemoeien. Piet zal de ster ophangen voor de wijzen die naar de hemel kijken.
Zo te zien zal het niet lang meer duren voordat de geboorte plaats zal vinden. Karel heeft een os nog een klap met zijn vleugel gegeven zodat die nu op weg is naar zijn stal. Dan warmt het daar een beetje op. Daar zullen ze waarschijnlijk eindigen vandaag. Alle herbergen zitten vol. Karel heeft ook wat extra stro laten dwarrelen in de stal, voor het comfort, volgens mij weet de baas het wel maar knijpt hij vandaag een oogje dicht.

Ik zie ze nu, ze zijn op weg naar de herberg. Naar de herbergier die al veel mensen heeft weggestuurd. Geen plek voor armoedzaaiers. Ik probeer altijd het goede in de mens te zien, erin te geloven. Dus misschien omdat ze zwanger is… Maar nee, hij verwijst ze naar de stal. Precies zoals Karel al dacht. Maria zakt ineen. De os en de ezel kruipen meteen tegen elkaar aan, Jozef en Maria er dichtbij. Zo is er enige beschutting. Maria klapt dubbel, ze schreeuwt, het is echt begonnen. Jozef kijkt haar hulpeloos aan en vermant zich meteen daarna. Hij neemt haar in zijn armen, kust haar en veegt het zweet van haar voorhoofd.  Het gaat ze wel lukken, die twee samen.
De baas is door het dolle heen: ‘een zoon, ik krijg een zoon.’ Even wil ik hem herinneren aan wat er met deze zoon allemaal gaat gebeuren de komende 33 jaar, maar ik laat hem maar even. Zoals iedere jonge vader is hij nauwelijks aanspreekbaar.

Inmiddels ligt Jezus, gewikkeld in doeken in de kribbe en is Maria weer enigszins toonbaar.
Ik mag nu.
Ik suis met flapperende veren naar beneden. Ik moet eerlijk zeggen: het is heerlijk: vliegen, echt het fijnste wat er is, ik doe alsof ik de herders moet zoeken en vlieg een extra rondje voordat ik land. En ik land in een wolk van licht natuurlijk. Ik haal diep adem en verkondig luid:

‘Ontwaakt! Ontwaakt! Uw heiland is geboren!’

Piet heeft de stal nu overvloedig in het licht gezet en de boodschap komt goed over.
Pfff. Toch nog gelukt.

Marina, kerstmis 2018

Fietsen

De zon schijnt, mijn haar wordt warm en mijn hele  linkerkant. Heerlijk, ik ruik gras. Nick zit achterop in een stoeltje waarvoor hij bijna te groot is, maar het lukt nog. Hij vlijt zich tegen me aan, zijn mollige armpjes om mijn middel, zijn gezicht in mijn T-shirt. Hij blaast en ik krijg een natte warme vlek op mijn rug. Mmm. Onze schaduw glijdt met ons mee, net zoals Mark die nog wat slingerend naast me rijdt. Kijk zeg ik tegen Nick, onze schaduw, hij glijdt zwart over de stoep, over het groene malse gras van het weiland met de Ezel. Ik zwaai met mijn arm en de schaduw zwaait mee. Nick zwaait ook en ook nu zwaait de schaduw.  Mark kijkt naar ons spel en komt snel peddelend naast me rijden hij rijdt over de schaduw, hij lacht. Dan kijkt hij me verschrikt aan : ‘doet dat pijn?’

‘Nee hoor dat doet geen pijn. Je schaduw gaat altijd mee maar hij doet geen pijn.’ We lachen. De zon glimt op mijn stuur, op mijn bel, op het stuur van Mark. Een grasmaaier zoemt, knip knip doet een schaar achter een heg, ik krijg nog een natte plek op mijn rug. Mmm.

Achter ons hoor ik een auto. ‘Mark ga maar even voor me rijden, dan kan die auto er langs.’ Hij slingert voor me uit. Rijdt nu wat langzamer zodat ik zelf moeite moet doen niet te slingeren met mijn gewicht en het gewicht van Nick op de fiets. De auto nadert langzaam, gelukkig maar. Nu is die bijna naast me. Ik probeer het slingeren te beperken en met mijn ogen probeer ik ook de route van Mark recht te trekken.
Niet te veel slingeren. Houd het recht.
Nog even volhouden.
De auto is nu naast me, ik concentreer me op mijn oudste zoon.
Voorzichtig.
Voorzichtig.

Op dat moment toetert de auto. Ik maak een zwieper met mijn stuur. Ik schreeuw: ‘Godverdomme’. Mijn hart zit in mijn keel. De auto haalt Mark in. Mijn collega zwaait naar me terwijl ze me inhaalt. Ik, ik kan haar wel wurgen, maar ze rijdt door.

Mijn hart klopt snel, ik heb kippenvel en de rillingen lopen over mijn rug, Nick blaast op mijn rug maar ik geef hem een por: ‘ophouden nu, ik loop voor gek straks met al die natte plekken’. Het scherpe, irriterende geluid van een grasmaaier, een zurige lucht van verrot gras, zweet stroomt koud tussen mijn borsten door en alles plakt.  Ik had een zonnebril op moeten zetten of een hoed, de zon is veel te fel. We rijden door naar de supermarkt.

Later zegt ze; ‘jullie waren fijn aan het fietsen’.
‘Nou, heel fijn.’

Marina, 2018 .

 

In je blootje bij de bakker.

Wanneer ik op bezoek ben bij mijn vriendin in Almelo weet mijn telefoon dat ik daar ben, weet Whatsapp al lang dat ik daar naartoe zou gaan en wist Google maps gisteren hoe ik er naartoe zou rijden. Jakkes wat eng.

Het is dagelijks op het nieuws: privacy, facebook, hacken. Zelfs zorgverzekeraars kijken mee en kennen je googlegedrag. En ik vind het vreselijk ingewikkeld allemaal. We worden, in verband met de nieuwe wetgeving , doodgegooid met privacy statements en ik betrap me erop dat ik die maar niet meer lees. Niet omdat ik het niet begrijp maar omdat ik last heb van iets waarvan ik nu weet dat het de privacy paradox heet.

Ik heb namelijk een boek gekocht over privacy, het heet: ‘je hebt wél iets te verbergen’ en ik was geïnteresseerd en begon te lezen. Over de privacy paradox. Ik word er zo benauwd van dat ik niet voorbij hoofdstuk één kom.

Ik wil namelijk niet dat mijn gegevens en wat ik doe op straat komt te liggen. Ik gebruik een bank app en ga ervan uit dat die net zo veilig is en afgeschermd als het loket bij de bank, vroeger. Nou ja. Wanneer de volgende klant tenminste een beetje afstand hield en de bankbediende geen kennis van je was.
En ik wil graag dat mijn huisarts mijn gegevens doorgeeft aan de specialist wanneer hij me verwijst maar niet dat hij ze stuurt aan een marketingbureau. Ik wil me ook uitkleden bij de huisarts als dat nodig is, maar niet bij de bakker.
Privacy is dus afhankelijk van de context. Dat was vroeger zo en dat is nu nog steeds. En Zuckerberg kan zeggen dat alles anders is en mensen willen delen, maar alleen het medium is anders. De context blijft hetzelfde. Je vrienden mogen weten dat je op Bali zit, inbrekers liever niet.

In het boek vertellen ze dat wanneer je inlogt op een site, binnen 100 milliseconden minstens 55  bedrijven via cookies kijken wat je profiel is. Ze beoordelen of zij geïnteresseerd zijn in jou, en doen een bod op de advertentieruimte op de site. Dan weten ze dus waar je woont, je inkomen, je surfgedrag, leeftijd, werkgever, wat voor huis je bewoont en nog veel meer. En de hoogste bieder kan de advertentie plaatsen. Allemaal geautomatiseerd.  Dat noemen ze dus de advertenties aanpassen aan jouw behoeften. En daarom komt opnieuw die site voorbij die je bezocht omdat je schoonmoeder je vroeg voor haar te googelen op steunzolen.

En dit is dan normaal en legaal, dit zijn gewone bedrijven die de mogelijkheden van adverteren gebruiken. Dit gaat over wat ze doen om je te bereiken. Dan heb ik het dus nog niet over kwaadwillenden die iets met je wachtwoorden uitspoken.

Ik zit eigenlijk niet te wachten op reclameboodschappen die speciaal op mijn behoeften zijn afgestemd. Misschien soms wel, maar het leven moet ook verrassend zijn en je moet uit je bubbel kunnen gaan. Je kunt best mediteren, postzegels verzamelen en ook motorrijden, ook al past dat niet in een profiel.
Maar wanneer ik niet op die knop ‘akkoord’ druk, kan ik dat spelletje niet doen, kan ik mijn iPhone niet gebruiken of whatsappen met de kinderen. Dus ik druk op akkoord en wil eigenlijk niet weten wat erin staat.

De privacy paradox.
En zo sta ik dus in mijn blootje bij de bakker.

Marina juni 2018

Schoonkinderen

Het is het lot wanneer je een vader en moeder bent, je moet afwachten met wie je de rest van je leven kerst zult mogen of moeten vieren. Als je geluk hebt zijn het aardige mensen, mensen die hopelijk wat jonger zijn dan je zelf bent maar met wie je een klik hebt of waarvoor je in ieder geval belangstelling hebt, of kunt hebben. En als dat andersom ook zo is, is dat ook prettig. Maar je kunt het niet weten.

Daarbij komt dat je je al menig kerstdiner hebt uitgesloofd voor mensen die je na een, twee, drie of zelfs vijf keer niet meer terugziet. Eindelijk iemand die gezellig meedoet, niet te verlegen is, iets van zichzelf laat zien en ook assertief is. Eindelijk iemand die in de keuken een handje toesteekt, die belangstelling heeft voor het recept of voor de manier waarop je alles geregeld hebt en ze verdwijnen weer uit het zicht. Als schepen in de nacht.

En dat vind ik zo jammer. Je heet de partner van je kind welkom, welkom in je hart, in je huis, je familie.  Je maakt kennis met de familie van de partner op verjaardagsfeesten. Je geeft iedereen een kans ook al zijn het misschien niet precies je types, je opent je voor het nieuwe. En dan is het nieuwe eraf en is het uit, gaan ze scheiden of uit elkaar. En meteen zie je zo’n kind dan nooit meer terug. Op een enkeling die nog eens een kopje thee komt drinken of die je in de stad tegenkomt. Een clubje van exen van kinderen is ook niet echt geslaagd natuurlijk, al zou ik er als plots afgestoten schoonmoeder wel voor voelen moet ik zeggen. Je moet toch zelf een rouwproces door. Ik heb wel lopen huilen bij het nieuws dat het uit was, en niet alleen omdat ik het zo erg vond voor mijn kind.

Op het moment zijn we weer onder ons. De relaties zijn uit en het is november dus voor het eind van het jaar verwacht ik geen nieuwe input. We kunnen zomaar de kerstdag plannen die het ons uitkomt zonder te onderhandelen, het koken is voor wat minder mensen en in dit gezelschap weten we altijd wel iets om over te praten, stechelen, zeuren, herinneren of te herhalen.

Voor volgend jaar en alle jaren daarna is het dus weer afwachten. Ik gun mijn kinders leuke, liefhebbende, attente partners, en mijzelf dito schoonkinderen uiteraard. Voor het nieuwe jaar en alle jaren daarna. We gaan weer voor een nieuwe ronde en nieuwe kansen.

Marina

december 2017.

Lijden

Natuurlijk is het in ieder huwelijk geven en nemen.
En zo neem ik mijn man mee naar de Flint.
Hij is het liefst thuis. Vakantie? ach, nou ja als je dan maar kunt fietsen. Een avondje uit? De koffie thuis is lekkerder. Uit eten? Jij kookt net zo goed. En na die complimenten is het helemaal moeilijk om hem over te halen.

Maar goed, vanavond onder lichte dwang naar de Flint. Een Brabander treedt op, Wim Daniels, wij kennen hem omdat we zelf Brabanders zijn maar we zijn benieuwd of hij ook zo ver naar het noorden de zaal vol krijgt.
Ja dus. We zijn maar net op tijd en omdat het vrije zit is mogen we helemaal in de achterste rij aanschuiven.
Hij vertelt leuk en herkenbaar voor ons. Over ons dialect, heerlijk! Over Tantanna, over misverstanden tot in de huisartsenpraktijk en dat privacy in zo’n dorp eigenlijk niet bestond. Ik geniet, ik hoop dat dat voor mijn man ook geldt.
Totdat…
‘Is er hier soms iemand die ook uit Helmond komt?’ vraagt Wim Daniels. ‘Die is er namelijk altijd.’ Ik steek mijn hand op en mijn man reageert meteen: ‘Oh ja? Kom jíj uit Helmond? Hij steekt geen hand op. En nee ik kom niet uit Helmond, maar híj wel.
‘Wil je dan niet? Maar… ‘
‘Nee’ zegt mijn man met nadruk. ‘Nee’.
Ik laat met moeite en aarzelend mijn arm zakken, ook jammer dat Wim Daniels het niet gezien heeft, maar ja op die achterste rij.

Ik weet het natuurlijk ook wel. In tegenstelling tot mij staat hij niet graag in de belangstelling, ik mag nog weleens semipubliek optreden. Hij nooit, nou ja wel voor zijn werk. Maar bij zo’n voorstelling voelt hij er helemaal niets voor om op het podium te gaan staan. Dat wil hij tot elke prijs voorkomen.

Het grappige is dat ik die eigenschappen een op een terugzie in onze zonen. Ik was in een pretpark met ons duo en een clown vroeg hulp op het podium. Onze oudste stond in een zucht vooraan ‘ikke, ikke’ te schreeuwen. De jongste verborg zich meteen achter mijn rug om snel uit zicht te zijn. Je snapt van wie ze dat hebben. En toch zijn wij al ruim 35 jaar prettig bij elkaar.
Geven en nemen.

Maar toch. Bij Wim Daniels wordt het nog erger. Voor mij. Hij vertelt dat de naam Wim een naam is die uitsterft. Ooit heette 30% van het Nederlandse voetbalelftal Wim, nu niemand meer. En natuurlijk komt de vraag: ‘Is er in het publiek iemand die Wim heet? Die krijgt een leuk boekje mee.’
Smekend kijk ik mijn man, mijn Wim, aan.
Hij blikt mij wetend aan en zegt ‘nee’.
Ik ga op mijn handen zitten, neem mijn verlies en lijd.

Marina van Alphen.
2017