In je blootje bij de bakker.

Wanneer ik op bezoek ben bij mijn vriendin in Almelo weet mijn telefoon dat ik daar ben, weet Whatsapp al lang dat ik daar naartoe zou gaan en wist Google maps gisteren hoe ik er naartoe zou rijden. Jakkes wat eng.

Het is dagelijks op het nieuws: privacy, facebook, hacken. Zelfs zorgverzekeraars kijken mee en kennen je googlegedrag. En ik vind het vreselijk ingewikkeld allemaal. We worden, in verband met de nieuwe wetgeving , doodgegooid met privacy statements en ik betrap me erop dat ik die maar niet meer lees. Niet omdat ik het niet begrijp maar omdat ik last heb van iets waarvan ik nu weet dat het de privacy paradox heet.

Ik heb namelijk een boek gekocht over privacy, het heet: ‘je hebt wél iets te verbergen’ en ik was geïnteresseerd en begon te lezen. Over de privacy paradox. Ik word er zo benauwd van dat ik niet voorbij hoofdstuk één kom.

Ik wil namelijk niet dat mijn gegevens en wat ik doe op straat komt te liggen. Ik gebruik een bank app en ga ervan uit dat die net zo veilig is en afgeschermd als het loket bij de bank, vroeger. Nou ja. Wanneer de volgende klant tenminste een beetje afstand hield en de bankbediende geen kennis van je was.
En ik wil graag dat mijn huisarts mijn gegevens doorgeeft aan de specialist wanneer hij me verwijst maar niet dat hij ze stuurt aan een marketingbureau. Ik wil me ook uitkleden bij de huisarts als dat nodig is, maar niet bij de bakker.
Privacy is dus afhankelijk van de context. Dat was vroeger zo en dat is nu nog steeds. En Zuckerberg kan zeggen dat alles anders is en mensen willen delen, maar alleen het medium is anders. De context blijft hetzelfde. Je vrienden mogen weten dat je op Bali zit, inbrekers liever niet.

In het boek vertellen ze dat wanneer je inlogt op een site, binnen 100 milliseconden minstens 55  bedrijven via cookies kijken wat je profiel is. Ze beoordelen of zij geïnteresseerd zijn in jou, en doen een bod op de advertentieruimte op de site. Dan weten ze dus waar je woont, je inkomen, je surfgedrag, leeftijd, werkgever, wat voor huis je bewoont en nog veel meer. En de hoogste bieder kan de advertentie plaatsen. Allemaal geautomatiseerd.  Dat noemen ze dus de advertenties aanpassen aan jouw behoeften. En daarom komt opnieuw die site voorbij die je bezocht omdat je schoonmoeder je vroeg voor haar te googelen op steunzolen.

En dit is dan normaal en legaal, dit zijn gewone bedrijven die de mogelijkheden van adverteren gebruiken. Dit gaat over wat ze doen om je te bereiken. Dan heb ik het dus nog niet over kwaadwillenden die iets met je wachtwoorden uitspoken.

Ik zit eigenlijk niet te wachten op reclameboodschappen die speciaal op mijn behoeften zijn afgestemd. Misschien soms wel, maar het leven moet ook verrassend zijn en je moet uit je bubbel kunnen gaan. Je kunt best mediteren, postzegels verzamelen en ook motorrijden, ook al past dat niet in een profiel.
Maar wanneer ik niet op die knop ‘akkoord’ druk, kan ik dat spelletje niet doen, kan ik mijn iPhone niet gebruiken of whatsappen met de kinderen. Dus ik druk op akkoord en wil eigenlijk niet weten wat erin staat.

De privacy paradox.
En zo sta ik dus in mijn blootje bij de bakker.

Marina juni 2018

Advertenties

Schoonkinderen

Het is het lot wanneer je een vader en moeder bent, je moet afwachten met wie je de rest van je leven kerst zult mogen of moeten vieren. Als je geluk hebt zijn het aardige mensen, mensen die hopelijk wat jonger zijn dan je zelf bent maar met wie je een klik hebt of waarvoor je in ieder geval belangstelling hebt, of kunt hebben. En als dat andersom ook zo is, is dat ook prettig. Maar je kunt het niet weten.

Daarbij komt dat je je al menig kerstdiner hebt uitgesloofd voor mensen die je na een, twee, drie of zelfs vijf keer niet meer terugziet. Eindelijk iemand die gezellig meedoet, niet te verlegen is, iets van zichzelf laat zien en ook assertief is. Eindelijk iemand die in de keuken een handje toesteekt, die belangstelling heeft voor het recept of voor de manier waarop je alles geregeld hebt en ze verdwijnen weer uit het zicht. Als schepen in de nacht.

En dat vind ik zo jammer. Je heet de partner van je kind welkom, welkom in je hart, in je huis, je familie.  Je maakt kennis met de familie van de partner op verjaardagsfeesten. Je geeft iedereen een kans ook al zijn het misschien niet precies je types, je opent je voor het nieuwe. En dan is het nieuwe eraf en is het uit, gaan ze scheiden of uit elkaar. En meteen zie je zo’n kind dan nooit meer terug. Op een enkeling die nog eens een kopje thee komt drinken of die je in de stad tegenkomt. Een clubje van exen van kinderen is ook niet echt geslaagd natuurlijk, al zou ik er als plots afgestoten schoonmoeder wel voor voelen moet ik zeggen. Je moet toch zelf een rouwproces door. Ik heb wel lopen huilen bij het nieuws dat het uit was, en niet alleen omdat ik het zo erg vond voor mijn kind.

Op het moment zijn we weer onder ons. De relaties zijn uit en het is november dus voor het eind van het jaar verwacht ik geen nieuwe input. We kunnen zomaar de kerstdag plannen die het ons uitkomt zonder te onderhandelen, het koken is voor wat minder mensen en in dit gezelschap weten we altijd wel iets om over te praten, stechelen, zeuren, herinneren of te herhalen.

Voor volgend jaar en alle jaren daarna is het dus weer afwachten. Ik gun mijn kinders leuke, liefhebbende, attente partners, en mijzelf dito schoonkinderen uiteraard. Voor het nieuwe jaar en alle jaren daarna. We gaan weer voor een nieuwe ronde en nieuwe kansen.

Marina

december 2017.

Lijden

Natuurlijk is het in ieder huwelijk geven en nemen.
En zo neem ik mijn man mee naar de Flint.
Hij is het liefst thuis. Vakantie? ach, nou ja als je dan maar kunt fietsen. Een avondje uit? De koffie thuis is lekkerder. Uit eten? Jij kookt net zo goed. En na die complimenten is het helemaal moeilijk om hem over te halen.

Maar goed, vanavond onder lichte dwang naar de Flint. Een Brabander treedt op, Wim Daniels, wij kennen hem omdat we zelf Brabanders zijn maar we zijn benieuwd of hij ook zo ver naar het noorden de zaal vol krijgt.
Ja dus. We zijn maar net op tijd en omdat het vrije zit is mogen we helemaal in de achterste rij aanschuiven.
Hij vertelt leuk en herkenbaar voor ons. Over ons dialect, heerlijk! Over Tantanna, over misverstanden tot in de huisartsenpraktijk en dat privacy in zo’n dorp eigenlijk niet bestond. Ik geniet, ik hoop dat dat voor mijn man ook geldt.
Totdat…
‘Is er hier soms iemand die ook uit Helmond komt?’ vraagt Wim Daniels. ‘Die is er namelijk altijd.’ Ik steek mijn hand op en mijn man reageert meteen: ‘Oh ja? Kom jíj uit Helmond? Hij steekt geen hand op. En nee ik kom niet uit Helmond, maar híj wel.
‘Wil je dan niet? Maar… ‘
‘Nee’ zegt mijn man met nadruk. ‘Nee’.
Ik laat met moeite en aarzelend mijn arm zakken, ook jammer dat Wim Daniels het niet gezien heeft, maar ja op die achterste rij.

Ik weet het natuurlijk ook wel. In tegenstelling tot mij staat hij niet graag in de belangstelling, ik mag nog weleens semipubliek optreden. Hij nooit, nou ja wel voor zijn werk. Maar bij zo’n voorstelling voelt hij er helemaal niets voor om op het podium te gaan staan. Dat wil hij tot elke prijs voorkomen.

Het grappige is dat ik die eigenschappen een op een terugzie in onze zonen. Ik was in een pretpark met ons duo en een clown vroeg hulp op het podium. Onze oudste stond in een zucht vooraan ‘ikke, ikke’ te schreeuwen. De jongste verborg zich meteen achter mijn rug om snel uit zicht te zijn. Je snapt van wie ze dat hebben. En toch zijn wij al ruim 35 jaar prettig bij elkaar.
Geven en nemen.

Maar toch. Bij Wim Daniels wordt het nog erger. Voor mij. Hij vertelt dat de naam Wim een naam is die uitsterft. Ooit heette 30% van het Nederlandse voetbalelftal Wim, nu niemand meer. En natuurlijk komt de vraag: ‘Is er in het publiek iemand die Wim heet? Die krijgt een leuk boekje mee.’
Smekend kijk ik mijn man, mijn Wim, aan.
Hij blikt mij wetend aan en zegt ‘nee’.
Ik ga op mijn handen zitten, neem mijn verlies en lijd.

Marina van Alphen.
2017

Meditatie plus.

Een ezel, grijs met van die pluizige zwarte oren. En een hek, zo’n echt hek. Met drie horizontale  balkjes en een schuine. De ezel staat stil voor zich uit te staren, zoals alleen ezels dat kunnen. Misschien denkt hij iets slims, de stelling van Pythagoras, de recessie. Of aan iets doms: zal ik nog een hapje van dat lange gras nemen of niet. Misschien denkt hij ook wel helemaal niets. Hij wel ja. Misschien heeft hij ook wel buikpijn.

Ooooeeehm, ik probeer het, maar mij lukt het niet. Aan niets denken. Randy, de docent of begeleider zoals dat hier heet oehmt al twee uur lang maar ik blijf maar aan dingen denken.  Aan leuke hekken, domme ezels, pipo de clown, hoe zou het met de kinderen zijn, die moeten vandaag naar ballet en voetbal, aan bloed.
Ik zeg het nog maar eens ooooeeeehm, het zou moeten helpen. Ik schud met mijn hoofd om de gedachten kwijt te raken.
Mijn enkel kriebelt. Mijn buik rommelt, een kramp.

De anderen zitten heel stil, durf ik aan mijn enkel te krabben?  Dan valt op dat ik niet Daar ben. Daar waar zij zijn. In het stille water van de lege geest. De poel, de oorsprong, waar van alles kan ontstaan. Het moeilijke is dat je niet boos op jezelf mag worden wanneer het niet lukt aan niets te denken. Niet denken stomme trut houd er mee op, denk nu eens aan niets verdorie.
Nee, meer van: goh nu denk ik opeens aan een ezel, apart, hoe kom ik daar nu bij. Een Ezel.
Hij staat er nog steeds. Hij staat te poepen. Grote keutels vallen op de grond, hij kijkt er hetzelfde bij.

Het ergste is dat ik ongesteld moet worden. En dat gaat bij mij niet vanzelf. Vanmorgen dacht ik nog dat het wel zou gaan, maar het gaat dus niet. Voor het gevoel in mijn buik is geen naam. Het is alsof alles verhuisd wordt. Alles wat onderin zit gaat naar boven en omgekeerd, en alles wat links is moet naar rechts en andersom. Het is niet zozeer pijnlijk maar het is onthutsend en akelig en oooh. Oeoehm.
Ik zou me ziek gemeld hebben maar ja, ik heb vakantie.
Aniek ook altijd met haar ideeën. Een hele week verwennerij, zo had ze gezegd, een week zonder kinderen, zonder gezeik, helemaal voor jezelf. Even de rem erop. Ik had meteen ja gezegd. Nou ja, nadat ik Cees ervan overtuigd had dat het goed is voor moeders van jonge kinderen om er eens uit te zijn, de energie op te laden. Aniek zit rechts van me, ze laat net een hele zware oehm gaan.

Goh wat apart dat ik nu aan Aniek denk. Wat een leuke gedachten heb ik nu toch weer. Maar nu ga ik proberen aan niets te denken.
Ik zit een beetje achteraan in het zacht oranje geverfde zaaltje. Het groene zaaltje is voor de maaltijden en dit is dus een meditatiekleur, blijkbaar. Mijn mede mediteurs zijn zeer geconcentreerd bezig. Rustig ademhalend, ogen dicht en oehmend.

De krampen worden erger, ik krijg nog aandrang ook. Ik heb vanmorgen als voorzorg een tampon ingebracht, paracetamol genomen en maandverband ingedaan. Ja, als je weet dat je 4 uur moet mediteren. Daardoor voelt het ook allemaal wat vreemd, aandrang in combinatie met een extra absorberende tampon voelt anders dan normaal en het zit ook niet zo lekker, zeker op zo’n matje. Toen ik wat zat te wiebelen om het randje van het verband op een ander plekje te krijgen kreeg ik meteen een strenge blik van Randy toegeworpen. Ja kunst dat is een man. Die heeft geen weet van menstruele ongemakken. Dat zit daar lekker op zijn zitbotten met aan de voorkant zo’n plooibaar zakje dat op dat groene matje rust. Lekker makkelijk, je mediteert zo een eind weg op die manier.

Goh, de ezel is weg. En ik heb hem niet zien gaan. Wat gek, ik zit hier de hele tijd te kijken maar heb toch wat gemist, hij is weg. Het hek staat ook open. Ik zie geen horizontale balken meer, en ook geen schuine. Alleen de keutels liggen er nog.
Hij is opgehaald waarschijnlijk, door de boer of een eigenaar. Hij moet een karretje trekken, of kinderen dragen op een kinderfeestje.  Of misschien gaat hij naar een verse wei met wat meer gras.
Ik wil ook weg, een warm bad en betere pijnstillers. Desnoods met een boer.

Mijn hele onderkant voelt ook wat vol. Daardoor wordt die aandrang nog erger dan normaal, en ik kan het minder goed plaatsen. Het krampt, het wringt, ik voel me zo vreselijk ongemakkelijk. Is die aandrang nou een wind? Of… En durf ik die dan te laten? Wat als het geen wind is? Ik knijp zo goed mogelijk mijn billen tegen elkaar en haal diep adem. Een nieuwe kramp maakt dat ik bijna dubbelklap van ellende. Shit dit ga ik niet volhouden. Ik bijt op mijn lip. Mijn kaken spannen zich. Ik leun voorzichtig naar een kant om te kijken of dat beter voelt. En vang meteen Randy’s blik op. Ik kijk hem zo’n beetje verontschuldigend aan. De eerste dag bekeek hij me dan nog vriendelijk maar na vijf dagen vind hij kennelijk dat ik het onder de knie moet hebben. Zijn blik is bijna stoïcijns. Goh, eikel.

Goh, ik denk aan buikkrampen, bijzonder. Oeoehm. Ik leun wat naar rechts. En voel iets dun vloeibaars onder mijn billen lopen. Getverderrie. Menstruatiebloed?
Ik krimp ineen van ellende en voel meteen een nieuwe kramp.
Met een ruk sta ik overeind en probeer mijn meditatie tentjurk een beetje bij elkaar te houden. Een hand aan de achterkant. Ik ren bijna de oranje ruimte uit. Al zie ik nog net dat ik mijn groene matje gesierd heb met een grote vlek.

Marina 2017

Reinigen

In de straat hebben de winkels namen als ‘Mooi’, ‘Elan’ of ‘Fris’! Helderwit geverfd en zeer minimaal ingericht met enkele mooie stukken. Een witte, soms zwarte, tafel in het midden met 5 hangers en 10 oorbellen, een enkele vitrine en natuurlijk zit de baardige eigenaar of in vrolijke lappen gehulde eigenares al oorbellen makend naast de kassa.

Ik loop er een binnen die er net wat anders uitziet: ‘voor joe’. Deze staat vol met Boeddhabeelden. Er hangen sjaals, oorbellen en kettingen. Een hele wand is gevuld met verpakkingen met wierook en andere geurstoffen. Het is er schemerig donker. Het ruikt zoals Xenos vroeger rook. Muf met geurstof.

Ik drentel langs de glazen kasten en uitstallingen, hangers met veel zacht glanzend zilver, op kleur gerangschikt naar steen. Groene jade, rozenkwarts en zwarte stenen die ik niet herken . Mooie zijden sjaals, ze voelen soepel en zacht en minstens honderd van die geurbrandertjes. Een meneer in een paars colbert vraagt om een hanger in de etalage en de verkoopster klimt als een slangenmens tussen de velours lappen en boeddhistische beelden om de hanger uit de opstelling te vissen.

Ik vind precies wat ik nodig heb. Een zwarte veter met een driehoekige hanger van prachtig donkerblauwe lapis lazuli, Die past perfect bij de oorbellen die ik al heb. Geweldig, daar zoek ik al maanden naar. En de prijs valt mee.

De verkoopster begint met voorzichtige bewegingen het prijsje van de steen af te peuteren en daarna komt er een fluwelig doekje aan te pas voor de overgebleven lijm. Een petieterig papieren zakje ligt al klaar.
Ze richt zich naar mij en zegt: ‘wanneer u hem nou wilt reinigen, dan kunt u dat het best met wierook doen.’
Ik kijk haar niet begrijpend aan. ‘ Wordt hij daar schoon van dan? Ik doe het zelf in een sopje, beetje azijn, wat Biotex en als er vlekken opzitten voorzichtig met een schuursponsje. Maar niet te hard natuurlijk. Wierook heb ik nog nooit geprobeerd, moet ik dat eerst oplossen?’
Ze kijkt me neutraal aan, buigt zich nog wat meer voorover naar mij en zegt zacht en indringend: ‘ik bedoel spiritueel reinigen.’
Er borrelt een snik op die ik maar net in kan houden. ‘Aha.’ weet ik uit te brengen.
Met trillende handen reken ik af en ik spoed me de winkel uit terwijl ik het zakje in mijn tas frummel. Halverwege proest ik het uit, ik kan het niet meer voor me houden. Spiritueel reinigen?

Het is pas enkele winkels verder dat ik me realiseer dat ik mijn vest in juist die schemerige winkel heb laten liggen. Ik moet terug. De verkoopster overhandigt het kledingstuk zonder een woord.
Ik meen het te kunnen lezen in haar ogen:

– een grote spirituele vuilnisbelt dat mens-

Marina.

foto-bij-reinigen2

Mijn Oma

Mijn oma is al vele jaren dood. Maar ik heb van haar een groentenrasp geërfd, zo’n scherpe met een extra hulpstuk om te zorgen dat je je vingers niet meeraspt. Er loopt een scheur doorheen, van alle wortels die ze daar met ferme hand overheen heeft gehaald. En ook een taartstolp. Waar je je taart veilig onder kan stoppen wanneer die opgespoten is. Allebei vertegenwoordigen ze voor mij een deel van haar leven.

Mijn Oma was een forse vrouw, toen sprak je er nog niet op die manier over maar nu zou je haar obees noemen, mijn Opa trouwens ook. Op hun verlovingsfoto staan ze er allebei al pront bij. Haar haren stevig in de krul, hij al bijna kaal, of zeer kort geknipt. Hij straalt, zij lacht. Haar forse boezem steekt in een zwarte blouse.
Als kind zat ik soms naar haar te kijken wanneer ze at, kruimels die haar mond niet bereikten vielen op die boezem en rolden daar zo’n beetje heen en weer.

Mijn Oma was een bekend persoon in het dorp, niet alleen vanwege het feit dat je niet om haar heen kon kijken maar ook omdat ze altijd voor iedereen klaarstond. Ze kraamde in de straat wanneer iemand bevallen was, kolfde voor melklozen, kookte soep voor verse weduwen of anderszins benarden. Bakte taarten op bestelling en ze kon behangen als een volleerd schilder.
Ik zie haar nog zo’n gebakken ronde cake horizontaal doormidden snijden, daar ging dan room op of jam al gelang de wens. En daarna werden de twee helften weer op elkaar gestapeld. Soms ging zo’n cake zelfs in drieën. Daarna smeerde ze crème op de zijkant en met een bakje met hagelslag en de taart op de rand van de tafel werd er dan met vlugge ronddraaiende bewegingen een laagje chocoladekorrels op geplakt.
Ik heb het weleens geprobeerd, het leek zo gemakkelijk, maar het werd bij mij een grote kliederboel. Daardoor werd ik me er opeens van bewust dat ze een bijna professioneel bakker was.
Vlak voor het feest werd zo’n taart dan ‘opgespoten’. Een rand van toefjes slagroom erlangs, soms strepen als een wagenwiel door het midden en zilveren kogeltjes op de toefjes. Met partjes mandarijn uit blik werd het een echte feesttaart.

Wanneer de schilder in het dorp behang verkocht en zelf geen tijd had verwees hij de klanten naar Dien. Met trappen, emmers, borstels en oude theedoeken verscheen ze dan om het behang aan te brengen, 4 gulden per rol. Ze heeft zelfs plafonds behangen toen dat in de mode was. Dat lijkt me nou de ultieme behangprestatie, dat dat zomaar bleef hangen!

Al die activiteiten waren hard nodig om het schamele gezinsinkomen wat aan te vullen want breed hadden ze het niet. Mijn opa werkte als stratenmaker en groef vooral veel gleuven die hij dezelfde dag ook weer dicht moest gooien.

Nu lijkt het alsof ze een dienstbaar persoon was. Want ze was altijd bereid te helpen maar dan moest het wel op haar manier. ‘Ga opzij, ik doe het zelf wel’ werd in haar directe omgeving vaak gehoord. Beetje opschieten, geen flauwekul, hard werken en het resultaat telt. Een praktische aardse vrouw. Wanneer je haar vroeg wat ze voor haar verjaardag wilde zei ze: ‘maakt me niets uit als ik het maar niet af hoef te stoffen.’ Een kreet die ik de laatste jaren trouwens van haar heb overgenomen. Het werkt prima als buffer tegen al die blokkerbeelden en Xenosrariteiten die je niet weg durft te gooien om de gever niet voor het hoofd te stoten.

Zolang ik me herinner waren mijn opa en oma aan het lijnen. Weightwatchers, libelle lijnplan, brooddieet. Wanneer ze lang genoeg geleefd hadden waren Dokter Frank en Sonja Bakker ook huisgenoten geworden. Ze aten kilo’s rauwkost maar daarnaast ook zoveel andere dingen dat dat gewicht toch altijd een dingetje is gebleven.
Dat gewicht heeft ook gemaakt dat ze later in haar leven twee kunstknieën heeft gekregen. Die hadden te lang die ruim 100 kilo trapjes op en af gedragen met banen behang er ook nog bij. Een van die knieën ging helaas ontsteken waardoor ze daarna op een scootmobiel was aangewezen.

Toen de moeder van mijn oom overleed had hij een scootmobiel voor mijn oma in de aanbieding, die was veel sneller dan die van haar. Die moest ze maar overkopen.
Nu is mijn oom nogal een handelaar, die daarbij vooral aan zijn eigen belangen denkt, dus er was enig wantrouwen gerezen bij dit verkooppraatje.
Mijn oma en een vriendin zijn toen ieder in een scootmobiel aan het begin van de straat gaan staan en hebben allebei het gas vol open gedraaid. De snelste was toch haar oude scootmobiel. In hoeverre ze daarbij het gewichtsverschil mee hebben laten spelen weet ik eigenlijk niet maar ik zag ze voorbij scheuren, krom over het stuur met hun grijze haren wapperend in de wind en de benen met steunkousen ferm op de voetenplank.

Jammer eigenlijk dat ik geen keukentrapje van haar heb geërfd. Of een behangschaar.

Marina van Alphen, Maart 2016.

 

Blauwe stipjes.

Gemiddeld schijnen mensen in een museum vijf minuten naar een schilderij te kijken, en vijf minuten naar de toelichting. Ik haal dat zelden.
Die toelichting misschien nog wel maar verder … Nou ja, sinds iemand me gewezen heeft op penseelgebruik, en hoe je dat van een afstand ziet, sindsdien kijk wat nauwkeuriger maar toch, vijf minuten.

Ik begrijp het wel. Ik snap het, ik voel het zelfs. Die behoefte om iets te doorgronden, te zien, te verklaren en vooral te begrijpen. Alleen heb ik dat niet bij van Gogh of bij Rembrandt. Ik heb het bij Joan Blaeu en de Grote Bos. Dat wil zeggen, bij kaarten. Landkaarten wel te verstaan.

Ik kijk naar strepen en zie straten en spoorlijnen. Ik kijk naar groene vlakken en hoor de bomen ruisen. Ik geniet van het stratenpatroon. Iemand heeft het misschien ooit verzonnen. Of het is per ongeluk zo gegroeid. Als een levend wezen. Gevormd door burgemeesters, stratenmakers en bouwvakkers.

Op mijn smart Phone loop ik als een blauw stipje door straten, zo zag ik mezelf in gedachten altijd al lopen. Door steden en dorpen, door straten. Niet iedereen voelt dat zo. Laatst vroeg ik een vriendin of een straat evenwijdig liep aan het spoor. ‘Nee’ zei ze, ‘of nou ja. Je ziet het spoor in ieder geval niet.’

Op de rommelmarkt kocht ik een kaart van Joan Blaeu. Een kaart van Arnhem uit 1649. Hij blijkt met de hand ingekleurd, je kunt de potloodstreepjes zien. Iemand heeft al die daken voorzien van rode dakpannen. De weilanden zijn lichtgroen met plantjes er in getekend, de bomen donker. Er loopt een, al lang afgebroken muur rondom de stad en over het blauw ingevulde water ligt een soort pontonbrug van allemaal kleine bootjes. Zo een hebben ze nu nog in Curaçao.

Ik denk niet dat ik ooit wakker zal liggen van penseelstreken of van Rembrant. Maar van die blauwe kleurpotloodjes, vastgehouden door vijftiende-eeuwse vingers, daarvan dan weer wel.

Marina.

map_image