Meditatie plus.

Een ezel, grijs met van die pluizige zwarte oren. En een hek, zo’n echt hek. Met drie horizontale  balkjes en een schuine. De ezel staat stil voor zich uit te staren, zoals alleen ezels dat kunnen. Misschien denkt hij iets slims, de stelling van Pythagoras, de recessie. Of aan iets doms: zal ik nog een hapje van dat lange gras nemen of niet. Misschien denkt hij ook wel helemaal niets. Hij wel ja. Misschien heeft hij ook wel buikpijn.

Ooooeeehm, ik probeer het, maar mij lukt het niet. Aan niets denken. Randy, de docent of begeleider zoals dat hier heet oehmt al twee uur lang maar ik blijf maar aan dingen denken.  Aan leuke hekken, domme ezels, pipo de clown, hoe zou het met de kinderen zijn, die moeten vandaag naar ballet en voetbal, aan bloed.
Ik zeg het nog maar eens ooooeeeehm, het zou moeten helpen. Ik schud met mijn hoofd om de gedachten kwijt te raken.
Mijn enkel kriebelt. Mijn buik rommelt, een kramp.

De anderen zitten heel stil, durf ik aan mijn enkel te krabben?  Dan valt op dat ik niet Daar ben. Daar waar zij zijn. In het stille water van de lege geest. De poel, de oorsprong, waar van alles kan ontstaan. Het moeilijke is dat je niet boos op jezelf mag worden wanneer het niet lukt aan niets te denken. Niet denken stomme trut houd er mee op, denk nu eens aan niets verdorie.
Nee, meer van: goh nu denk ik opeens aan een ezel, apart, hoe kom ik daar nu bij. Een Ezel.
Hij staat er nog steeds. Hij staat te poepen. Grote keutels vallen op de grond, hij kijkt er hetzelfde bij.

Het ergste is dat ik ongesteld moet worden. En dat gaat bij mij niet vanzelf. Vanmorgen dacht ik nog dat het wel zou gaan, maar het gaat dus niet. Voor het gevoel in mijn buik is geen naam. Het is alsof alles verhuisd wordt. Alles wat onderin zit gaat naar boven en omgekeerd, en alles wat links is moet naar rechts en andersom. Het is niet zozeer pijnlijk maar het is onthutsend en akelig en oooh. Oeoehm.
Ik zou me ziek gemeld hebben maar ja, ik heb vakantie.
Aniek ook altijd met haar ideeën. Een hele week verwennerij, zo had ze gezegd, een week zonder kinderen, zonder gezeik, helemaal voor jezelf. Even de rem erop. Ik had meteen ja gezegd. Nou ja, nadat ik Cees ervan overtuigd had dat het goed is voor moeders van jonge kinderen om er eens uit te zijn, de energie op te laden. Aniek zit rechts van me, ze laat net een hele zware oehm gaan.

Goh wat apart dat ik nu aan Aniek denk. Wat een leuke gedachten heb ik nu toch weer. Maar nu ga ik proberen aan niets te denken.
Ik zit een beetje achteraan in het zacht oranje geverfde zaaltje. Het groene zaaltje is voor de maaltijden en dit is dus een meditatiekleur, blijkbaar. Mijn mede mediteurs zijn zeer geconcentreerd bezig. Rustig ademhalend, ogen dicht en oehmend.

De krampen worden erger, ik krijg nog aandrang ook. Ik heb vanmorgen als voorzorg een tampon ingebracht, paracetamol genomen en maandverband ingedaan. Ja, als je weet dat je 4 uur moet mediteren. Daardoor voelt het ook allemaal wat vreemd, aandrang in combinatie met een extra absorberende tampon voelt anders dan normaal en het zit ook niet zo lekker, zeker op zo’n matje. Toen ik wat zat te wiebelen om het randje van het verband op een ander plekje te krijgen kreeg ik meteen een strenge blik van Randy toegeworpen. Ja kunst dat is een man. Die heeft geen weet van menstruele ongemakken. Dat zit daar lekker op zijn zitbotten met aan de voorkant zo’n plooibaar zakje dat op dat groene matje rust. Lekker makkelijk, je mediteert zo een eind weg op die manier.

Goh, de ezel is weg. En ik heb hem niet zien gaan. Wat gek, ik zit hier de hele tijd te kijken maar heb toch wat gemist, hij is weg. Het hek staat ook open. Ik zie geen horizontale balken meer, en ook geen schuine. Alleen de keutels liggen er nog.
Hij is opgehaald waarschijnlijk, door de boer of een eigenaar. Hij moet een karretje trekken, of kinderen dragen op een kinderfeestje.  Of misschien gaat hij naar een verse wei met wat meer gras.
Ik wil ook weg, een warm bad en betere pijnstillers. Desnoods met een boer.

Mijn hele onderkant voelt ook wat vol. Daardoor wordt die aandrang nog erger dan normaal, en ik kan het minder goed plaatsen. Het krampt, het wringt, ik voel me zo vreselijk ongemakkelijk. Is die aandrang nou een wind? Of… En durf ik die dan te laten? Wat als het geen wind is? Ik knijp zo goed mogelijk mijn billen tegen elkaar en haal diep adem. Een nieuwe kramp maakt dat ik bijna dubbelklap van ellende. Shit dit ga ik niet volhouden. Ik bijt op mijn lip. Mijn kaken spannen zich. Ik leun voorzichtig naar een kant om te kijken of dat beter voelt. En vang meteen Randy’s blik op. Ik kijk hem zo’n beetje verontschuldigend aan. De eerste dag bekeek hij me dan nog vriendelijk maar na vijf dagen vind hij kennelijk dat ik het onder de knie moet hebben. Zijn blik is bijna stoïcijns. Goh, eikel.

Goh, ik denk aan buikkrampen, bijzonder. Oeoehm. Ik leun wat naar rechts. En voel iets dun vloeibaars onder mijn billen lopen. Getverderrie. Menstruatiebloed?
Ik krimp ineen van ellende en voel meteen een nieuwe kramp.
Met een ruk sta ik overeind en probeer mijn meditatie tentjurk een beetje bij elkaar te houden. Een hand aan de achterkant. Ik ren bijna de oranje ruimte uit. Al zie ik nog net dat ik mijn groene matje gesierd heb met een grote vlek.

Marina 2017

Advertenties

Reinigen

In de straat hebben de winkels namen als ‘Mooi’, ‘Elan’ of ‘Fris’! Helderwit geverfd en zeer minimaal ingericht met enkele mooie stukken. Een witte, soms zwarte, tafel in het midden met 5 hangers en 10 oorbellen, een enkele vitrine en natuurlijk zit de baardige eigenaar of in vrolijke lappen gehulde eigenares al oorbellen makend naast de kassa.

Ik loop er een binnen die er net wat anders uitziet: ‘voor joe’. Deze staat vol met Boeddhabeelden. Er hangen sjaals, oorbellen en kettingen. Een hele wand is gevuld met verpakkingen met wierook en andere geurstoffen. Het is er schemerig donker. Het ruikt zoals Xenos vroeger rook. Muf met geurstof.

Ik drentel langs de glazen kasten en uitstallingen, hangers met veel zacht glanzend zilver, op kleur gerangschikt naar steen. Groene jade, rozenkwarts en zwarte stenen die ik niet herken . Mooie zijden sjaals, ze voelen soepel en zacht en minstens honderd van die geurbrandertjes. Een meneer in een paars colbert vraagt om een hanger in de etalage en de verkoopster klimt als een slangenmens tussen de velours lappen en boeddhistische beelden om de hanger uit de opstelling te vissen.

Ik vind precies wat ik nodig heb. Een zwarte veter met een driehoekige hanger van prachtig donkerblauwe lapis lazuli, Die past perfect bij de oorbellen die ik al heb. Geweldig, daar zoek ik al maanden naar. En de prijs valt mee.

De verkoopster begint met voorzichtige bewegingen het prijsje van de steen af te peuteren en daarna komt er een fluwelig doekje aan te pas voor de overgebleven lijm. Een petieterig papieren zakje ligt al klaar.
Ze richt zich naar mij en zegt: ‘wanneer u hem nou wilt reinigen, dan kunt u dat het best met wierook doen.’
Ik kijk haar niet begrijpend aan. ‘ Wordt hij daar schoon van dan? Ik doe het zelf in een sopje, beetje azijn, wat Biotex en als er vlekken opzitten voorzichtig met een schuursponsje. Maar niet te hard natuurlijk. Wierook heb ik nog nooit geprobeerd, moet ik dat eerst oplossen?’
Ze kijkt me neutraal aan, buigt zich nog wat meer voorover naar mij en zegt zacht en indringend: ‘ik bedoel spiritueel reinigen.’
Er borrelt een snik op die ik maar net in kan houden. ‘Aha.’ weet ik uit te brengen.
Met trillende handen reken ik af en ik spoed me de winkel uit terwijl ik het zakje in mijn tas frummel. Halverwege proest ik het uit, ik kan het niet meer voor me houden. Spiritueel reinigen?

Het is pas enkele winkels verder dat ik me realiseer dat ik mijn vest in juist die schemerige winkel heb laten liggen. Ik moet terug. De verkoopster overhandigt het kledingstuk zonder een woord.
Ik meen het te kunnen lezen in haar ogen:

– een grote spirituele vuilnisbelt dat mens-

Marina.

foto-bij-reinigen2

Mijn Oma

Mijn oma is al vele jaren dood. Maar ik heb van haar een groentenrasp geërfd, zo’n scherpe met een extra hulpstuk om te zorgen dat je je vingers niet meeraspt. Er loopt een scheur doorheen, van alle wortels die ze daar met ferme hand overheen heeft gehaald. En ook een taartstolp. Waar je je taart veilig onder kan stoppen wanneer die opgespoten is. Allebei vertegenwoordigen ze voor mij een deel van haar leven.

Mijn Oma was een forse vrouw, toen sprak je er nog niet op die manier over maar nu zou je haar obees noemen, mijn Opa trouwens ook. Op hun verlovingsfoto staan ze er allebei al pront bij. Haar haren stevig in de krul, hij al bijna kaal, of zeer kort geknipt. Hij straalt, zij lacht. Haar forse boezem steekt in een zwarte blouse.
Als kind zat ik soms naar haar te kijken wanneer ze at, kruimels die haar mond niet bereikten vielen op die boezem en rolden daar zo’n beetje heen en weer.

Mijn Oma was een bekend persoon in het dorp, niet alleen vanwege het feit dat je niet om haar heen kon kijken maar ook omdat ze altijd voor iedereen klaarstond. Ze kraamde in de straat wanneer iemand bevallen was, kolfde voor melklozen, kookte soep voor verse weduwen of anderszins benarden. Bakte taarten op bestelling en ze kon behangen als een volleerd schilder.
Ik zie haar nog zo’n gebakken ronde cake horizontaal doormidden snijden, daar ging dan room op of jam al gelang de wens. En daarna werden de twee helften weer op elkaar gestapeld. Soms ging zo’n cake zelfs in drieën. Daarna smeerde ze crème op de zijkant en met een bakje met hagelslag en de taart op de rand van de tafel werd er dan met vlugge ronddraaiende bewegingen een laagje chocoladekorrels op geplakt.
Ik heb het weleens geprobeerd, het leek zo gemakkelijk, maar het werd bij mij een grote kliederboel. Daardoor werd ik me er opeens van bewust dat ze een bijna professioneel bakker was.
Vlak voor het feest werd zo’n taart dan ‘opgespoten’. Een rand van toefjes slagroom erlangs, soms strepen als een wagenwiel door het midden en zilveren kogeltjes op de toefjes. Met partjes mandarijn uit blik werd het een echte feesttaart.

Wanneer de schilder in het dorp behang verkocht en zelf geen tijd had verwees hij de klanten naar Dien. Met trappen, emmers, borstels en oude theedoeken verscheen ze dan om het behang aan te brengen, 4 gulden per rol. Ze heeft zelfs plafonds behangen toen dat in de mode was. Dat lijkt me nou de ultieme behangprestatie, dat dat zomaar bleef hangen!

Al die activiteiten waren hard nodig om het schamele gezinsinkomen wat aan te vullen want breed hadden ze het niet. Mijn opa werkte als stratenmaker en groef vooral veel gleuven die hij dezelfde dag ook weer dicht moest gooien.

Nu lijkt het alsof ze een dienstbaar persoon was. Want ze was altijd bereid te helpen maar dan moest het wel op haar manier. ‘Ga opzij, ik doe het zelf wel’ werd in haar directe omgeving vaak gehoord. Beetje opschieten, geen flauwekul, hard werken en het resultaat telt. Een praktische aardse vrouw. Wanneer je haar vroeg wat ze voor haar verjaardag wilde zei ze: ‘maakt me niets uit als ik het maar niet af hoef te stoffen.’ Een kreet die ik de laatste jaren trouwens van haar heb overgenomen. Het werkt prima als buffer tegen al die blokkerbeelden en Xenosrariteiten die je niet weg durft te gooien om de gever niet voor het hoofd te stoten.

Zolang ik me herinner waren mijn opa en oma aan het lijnen. Weightwatchers, libelle lijnplan, brooddieet. Wanneer ze lang genoeg geleefd hadden waren Dokter Frank en Sonja Bakker ook huisgenoten geworden. Ze aten kilo’s rauwkost maar daarnaast ook zoveel andere dingen dat dat gewicht toch altijd een dingetje is gebleven.
Dat gewicht heeft ook gemaakt dat ze later in haar leven twee kunstknieën heeft gekregen. Die hadden te lang die ruim 100 kilo trapjes op en af gedragen met banen behang er ook nog bij. Een van die knieën ging helaas ontsteken waardoor ze daarna op een scootmobiel was aangewezen.

Toen de moeder van mijn oom overleed had hij een scootmobiel voor mijn oma in de aanbieding, die was veel sneller dan die van haar. Die moest ze maar overkopen.
Nu is mijn oom nogal een handelaar, die daarbij vooral aan zijn eigen belangen denkt, dus er was enig wantrouwen gerezen bij dit verkooppraatje.
Mijn oma en een vriendin zijn toen ieder in een scootmobiel aan het begin van de straat gaan staan en hebben allebei het gas vol open gedraaid. De snelste was toch haar oude scootmobiel. In hoeverre ze daarbij het gewichtsverschil mee hebben laten spelen weet ik eigenlijk niet maar ik zag ze voorbij scheuren, krom over het stuur met hun grijze haren wapperend in de wind en de benen met steunkousen ferm op de voetenplank.

Jammer eigenlijk dat ik geen keukentrapje van haar heb geërfd. Of een behangschaar.

Marina van Alphen, Maart 2016.

 

Blauwe stipjes.

Gemiddeld schijnen mensen in een museum vijf minuten naar een schilderij te kijken, en vijf minuten naar de toelichting. Ik haal dat zelden.
Die toelichting misschien nog wel maar verder … Nou ja, sinds iemand me gewezen heeft op penseelgebruik, en hoe je dat van een afstand ziet, sindsdien kijk wat nauwkeuriger maar toch, vijf minuten.

Ik begrijp het wel. Ik snap het, ik voel het zelfs. Die behoefte om iets te doorgronden, te zien, te verklaren en vooral te begrijpen. Alleen heb ik dat niet bij van Gogh of bij Rembrandt. Ik heb het bij Joan Blaeu en de Grote Bos. Dat wil zeggen, bij kaarten. Landkaarten wel te verstaan.

Ik kijk naar strepen en zie straten en spoorlijnen. Ik kijk naar groene vlakken en hoor de bomen ruisen. Ik geniet van het stratenpatroon. Iemand heeft het misschien ooit verzonnen. Of het is per ongeluk zo gegroeid. Als een levend wezen. Gevormd door burgemeesters, stratenmakers en bouwvakkers.

Op mijn smart Phone loop ik als een blauw stipje door straten, zo zag ik mezelf in gedachten altijd al lopen. Door steden en dorpen, door straten. Niet iedereen voelt dat zo. Laatst vroeg ik een vriendin of een straat evenwijdig liep aan het spoor. ‘Nee’ zei ze, ‘of nou ja. Je ziet het spoor in ieder geval niet.’

Op de rommelmarkt kocht ik een kaart van Joan Blaeu. Een kaart van Arnhem uit 1649. Hij blijkt met de hand ingekleurd, je kunt de potloodstreepjes zien. Iemand heeft al die daken voorzien van rode dakpannen. De weilanden zijn lichtgroen met plantjes er in getekend, de bomen donker. Er loopt een, al lang afgebroken muur rondom de stad en over het blauw ingevulde water ligt een soort pontonbrug van allemaal kleine bootjes. Zo een hebben ze nu nog in Curaçao.

Ik denk niet dat ik ooit wakker zal liggen van penseelstreken of van Rembrant. Maar van die blauwe kleurpotloodjes, vastgehouden door vijftiende-eeuwse vingers, daarvan dan weer wel.

Marina.

map_image

Oranje

We zijn voor het eerst niet geweest. Geen jaarlijkse wandeling over de kleedjesmark, geen aubade met heliumballonnen.
Het begon ooit met versierde fietsen. Met oranje crêpepapier tussen spaken geslingerd en sturen omwikkeld met meters rode, witte en blauwe linten. We moesten in die verpakking nog een pokkeneind fietsen langs een vieze sloot, waar mijn broer natuurlijk met crêpepapier en communiepak in kieperde.
Later volgde de zeskamp van de scouting en als finale terrassen en feesttenten overgoten met bitter en bier.

Sinds we kinderen hebben gingen we naar de kleedjesmarkt. Om te kopen waar een ander uitgroeide en wij in. Autootjes, zwembanden en puzzels vonden hun weg naar onze huiskamer. En ook weer terug naar de kleedjesmarkt. Ik stuurde twee jaar geleden onze oudste nog met wat oude rotzooi naar het gebeuren maar hij was al snel weer terug. Daar ging hij echt niet meer tussen zitten. Zo erg was dat geldgebrek niet. Ik sleurde die doos maar weer naar zolder.

We zijn een krimpend huishouden. Een zoon op kamers, de andere half. Mijn karretje bij de supermarkt wordt ieder jaar leger. Bij de wekelijkse gang naar de friettent bestel ik steeds vaker twee patat in plaats van een gezinszak en een hamburger, beren hap met satésaus, kinderpakket en extra mayo.
Bovendien gaan we binnenkort verbouwen en moet de schuur leeg. Een bijna ondoenlijke opgave. Ik gooi niet snel iets weg. Mijn man is een verzamelaar. Crisis dus. Want ieder onooglijk plankje, schroefje en ringetje moet beoordeeld worden op weggooibaarheid. We hebben al zeker twee vierkante meter overwonnen, nog 98 te gaan.

Vandaar dat we niet gaan dit jaar. Misschien nog even een borrel op het terras? We wonen er nu immers midden tussenin.
Aan de ene kant wordt De Clown van Ben Kramer mishandeld. Aan de andere kant klinkt het naar vioolles van een hele erge beginner. We zitten hier eigenlijk ook wel lekker in de zon.

Misschien worden we gewoon saai en oud.

Marina

Updaten

De trein rijdt het station binnen, ik klik op afsluiten en wil al bijna het deksel dichtklappen wanneer ik het zie staan. “installeren 1 van 15 updates, SLUIT DE COMPUTER NIET AF!”
Shit.
Ik pak mijn tas in, doe mijn jas aan, das om en leg mijn wanten klaar. Op het scherm staat “installeren 2 van 15, sluit de computer niet af”.
Er beginnen al mensen op te staan. Station Utrecht is vol rond deze tijd, druk. Ik heb een vouwfietsje bij me. Een oud model, zwaar. Ik heb twee handen nodig om de fiets uit de trein te tillen. De roltrap op. Oversteken naar perron 11. Trein instappen.
Twee roltrappen en 100 meter lopen in de avondspits. No way dat ik dat met een geopende laptop kan doen.

Het is een mini notebook, een trage, dit duurt nog wel even. ” installeren 4 van 15 updates. sluit de computer niet af”. De klep kan ook niet helemaal open, zodat hij plat is als een boek. Waarom kan dat eigenlijk niet?
Ik rits mijn tas open. Haal mijn waterflesje eruit, schuif mijn appel opzij, en rommel mijn schrijfmap aan de kant.
Voorzichtig laat ik het notebook in mijn rugzak zakken. Ik verwacht ieder moment –krak- maar er gebeurt nog niets. Heel langzaam rits ik hem dicht, er zit een bobbel op de tas waar het scherm uitsteekt.
Zachtjes hang ik hem op mijn rug, loop naar het halletje en vouw mijn fiets uit. Er dwarrelt sneeuw de trein binnen. Ik schrijd tussen een hele groep mensen naar de stationshal. De banden van mijn tas trekken meer dan anders in mijn schouders door de vreemde bobbel achterop. Ik loop alsof ik 10 gekneusde ribben heb, zweet peentjes en ondertussen rol ik mijn fiets de roltrap op.

Waarom vraagt windows niet of je die updates nu of later of, liever nog, nooit wilt installeren. Lijkt me toch niet zo moeilijk. Ik zal nooit meer onbevangen in de trein zitten met dat rotding. Altijd gespitst op 143 updates.

Op perron 11 ga ik op een bankje zitten en wurm het notebook weer uit de tas. Ik haal diep adem. Het deksel zit er nog aan vast, geen losse draden, geen barst in het scherm en dat lijkt normaal want er staat “8 van 15 updates sluit…”
Een meneer naast mij grinnikt zacht wanneer ik gelaten achterover leun met die updates op mijn schoot. Wanneer de trein binnenloopt ben ik bij 14. Net op tijd kan ik hem dichtklappen.

Ho stop, ik moet er nog in, sluit die trein niet af.

Genoeg!

Ik rook het natuurlijk van de week al. Toen ik naar de voordeur liep. Een rioollucht van het putje bij de keuken. Nou dan weet ik al hoe laat het is. Hormonen zijn rare dingen.

Eigenlijk had ik die zwangerschapstests ook nooit nodig, ik liep langs een willekeurige vuilnisbak of nam een slok koffie en als ik dan braakneigingen kreeg wist ik hoe laat het was. Raar, dat je dan als cafeïneverslaafde negen maanden geen koffie lust en een dag na de bevalling is het over. Heel apart.

Nu ben ik dus tweeënvijftig, ruim. En ik vind het wel genoeg, dat hormonengedoe. Al moet de grande finale nog komen volgens mijn vriendinnen. Ik zou er wat voor geven om geen maandelijkse, de laatste jaren zelfs driewekelijkse, perioden te hebben met gerommel met tampons of maandverbanden. Soms zelfs allebei want het is niet alleen veel vaker maar vooral ook veel meer en daardoor onvoorspelbaar. Als een verstokte roker met sigaretten heb ik in alle tassen, jaszakken en laatjes tampons voor wanneer het me overvalt.

Bovendien, vorig jaar hadden we een verstopping van het riool. Mijn man viste er zo’n tien verstoppende wattebollen uit. En sindsdien mag ik ze, als enige vrouwelijke bewoner, niet meer door het toilet gooien.
Nu ik ze griezelend in een plastic zakje moet proppen of in een stukje toiletpapier rollen is de charme van het idee dat je er mee kan fietsen, paardrijden en zwemmen toch opeens veel minder.

Vriendinnen van mijn leeftijd zijn er al jaren vanaf, zelfs jongere vriendinnen hebben de champagnekurken laten knallen op het afsluiten van die vruchtbaarheidsfase. Een enkeling bekent dat ze bang is dat ze het zal missen, de hoogte en dieptepunten, de wetenschap dat je lijf functioneert zoals het hoort. Maar nu ik erover nadenk zijn die een stuk jonger. Op mijn leeftijd vertelt je lichaam je op allerlei manieren dat het de moed aan het verliezen is, dan is die overgang eigenlijk wel een welkome afsluiting, ik ben eraan toe.

Mijn lijf heeft ondertussen geen boodschap aan mijn psychologische fase, het werkt, op zijn laatste krachten, de routine af. Volgens mij ruik ik alweer wat.

Marina